Methodologische basis
Gepolariseerd stralingstransport
Wat is polarisatie van licht?
Licht is een elektromagnetische golf. In gewoon zonlicht of sterlicht trilt het elektrische veld in veel richtingen tegelijk, waardoor het licht effectief ongepolariseerd is. Na verstrooiing door moleculen of wolkendeeltjes, of na reflectie aan een oppervlak zoals een oceaan, krijgen sommige trillingsrichtingen de voorkeur en raakt het licht gedeeltelijk gepolariseerd. De eerste figuur hierboven vat dit samen en laat ook de graad van polarisatie zien, P: het aandeel gepolariseerde straling ten opzichte van de totale straling.
Waarom is dat nuttig?
Polarisatie bevat vaak informatie die niet direct uit helderheid en kleur alleen volgt. Polarisatie is gevoelig voor de golflengte, de verlichtings- en kijkgeometrie, en voor de grootte, vorm en samenstelling van deeltjes en oppervlakken. Omdat de graad van polarisatie een relatieve grootheid is, is die bovendien minder gevoelig voor de absolute helderheid van het invallende zonlicht en voor verschillende instrumentele effecten.
Wat kun je ermee zien?
Het HARP2-beeld hierboven laat die meerwaarde direct zien. In het RGB-paneel zie je vooral het wolkenveld voor de westkust van Zuid-Amerika, terwijl in het polarisatiepaneel een duidelijke wolkenboog zichtbaar wordt. Zo'n wolkenboog ontstaat door bijna bolvormige waterdruppels en laat dus zien dat dit wolken van vloeibaar water zijn. Uit de details van dat signaal kun je vervolgens informatie halen over druppelgrootte en wolkenmicrofysica. Hetzelfde basisidee werkt ook buiten de aarde. Een klassiek voorbeeld is Venus: Hansen en Hovenier (1974) gebruikten polarisatiemetingen van Venus als geheel, bij verschillende fasehoeken, om te laten zien dat de belangrijkste Venuswolken uit zwavelzuurdruppels bestaan.
Waarom simuleren?
Om polarisatiemetingen goed te kunnen gebruiken, moet je de waarnemingen terugkoppelen naar de onderliggende fysica. Gesimuleerd gepolariseerd stralingstransport beschrijft hoe licht verandert terwijl het in een atmosfeer wordt verstrooid en geabsorbeerd, en door het oppervlak wordt gereflecteerd. Zulke simulaties zijn nodig om satelliet- en telescoopmetingen te interpreteren, om toekomstige instrumenten te ontwerpen en te testen, en om te verkennen hoe wolken, oceanen, bewoonbaarheid en mogelijke sporen van leven zichtbaar kunnen worden in gereflecteerd licht. MONKI is voor dat doel ontwikkeld, ook voor atmosferen met driedimensionale wolkenstructuren.
Nederlandse wetenschappelijke context
Dit werk bouwt voort op een sterke Nederlandse traditie in optica, lichtverstrooiing en polarimetrie. Christiaan Huygens (1629-1695) formuleerde een vroege golftheorie van licht en gebruikte die om verschijnselen zoals reflectie, breking en dubbele breking te verklaren. Prof. dr. Marcel Minnaert (1893-1970) verbond optica, astronomie en verschijnselen in de atmosfeer. Prof. dr. Henk van de Hulst (1918-2000) leverde fundamentele bijdragen aan de theorie van lichtverstrooiing door kleine deeltjes. Prof. dr. Joop Hovenier (1936-2024) ontwikkelde een groot deel van de moderne theorie van gepolariseerd stralingstransport in planeetatmosferen.
Meer recent leverden dr. Johan de Haan en dr. Piet Stammes belangrijke bijdragen aan polarimetrie en stralingstransport bij het KNMI. Dr. Daphne Stam legde belangrijke grondslagen voor het gebruik van polarimetrie in aardobservatie, planeetwetenschap en exoplaneetonderzoek, en begeleidde mijn masterscriptie over exoplaneetpolarimetrie. Ook dr. Ping Wang begeleidde mijn promotiewerk bij het KNMI. Een groot deel van mijn eigen begrip van polarisatie komt uit Hoveniers Transfer of Polarized Light in Planetary Atmospheres, samen met het klassieke overzichtsartikel van Hansen en Travis (1974).